Er is een categorie planten waar je als tuinliefhebber een bijzondere relatie mee opbouwt: de niet-winterharde planten in potten.
Het zijn de planten die in het voorjaar vol overtuiging bij het tuincentrum of op een plantenmarkt staan te pronken, waarna je denkt: Ja! Die moet ik hebben. En voor je het weet staat er weer een pot bij. En nog een. En nog eentje, want er was nog een leeg plekje op het terras. En dan praten ze je in de tuinclub een Zuid-Afrikaanse Leeuwenoor aan, die je dus ook nog niet had.
Maar dan komt de herfst.
En ineens begint de grote volksverhuizing. De ene plant verhuist naar de schuur, de andere naar de garage. Sommige gelukkigen krijgen een plekje in de serre en de meest veeleisende exemplaren worden naar zolder gesleept. Andere worden ingepakt alsof ze op expeditie naar de Noordpool gaan. Alles om ze maar veilig door die koude winter heen te loodsen.
En dan begint het wachten.
Je hebt werkelijk geen idee wat je in het voorjaar zult aantreffen. Sommige planten staan er dan bij alsof ze een bijzonder zware winterslaap achter de rug hebben. Dor, kaal en levenloos. Je kijkt ernaar en denkt: Tja… dat was het dan. Maar weggooien? Ho maar! Want je hebt geleerd dat je bij dit soort planten nooit te snel de handdoek in de ring moet gooien. Dus geef je ze een tweede kans. Je haalt de dode takken weg, geeft ze verse aarde en een beetje water. Vervolgens ga je er dagelijks naar kijken. Je kijkt bijna met je neus tegen de pot aan of je ergens een piepklein groen puntje ontdekt. Een minuscuul teken van leven. Een knopje. Een blaadje. Iets. Kom op joh, laat zien dat je er nog bent.
En soms gebeurt er dan een wonder. Op een ochtend zie je ineens een groen blaadje.
LEVEN! De plant die gisteren nog leek op een verzameling afgestorven takken, besluit plotseling dat het tijd is voor een comeback. Eerst voorzichtig een paar blaadjes, daarna steeds meer. En voordat je het weet, lijkt het alsof er helemaal niets gebeurd is. Sterker nog: hij ontploft bijna. Groen! Bladeren! Bloemen! Alsof hij wil zeggen: Winter? Welke winter? Ik heb heerlijk geslapen. Je staat erbij met een trotse glimlach. Je hebt hem verzorgd, vertroeteld, voorzien van nieuwe aarde en morele ondersteuning. En daar word je dan voor beloond.
Helaas is niet iedere plant zo dankbaar.
Sommige blijven koppig levenloos. Daar kun je water tegenaan gooien, lieve woordjes tegen fluisteren of nog één keer hoopvol aan een takje krabben om tekijken of eronder misschien toch groen zit. Maar soms moet je gewoon erkennen dat het voorbij is. Dan volgt het afscheid en hup, de composthoop op.
En dan begint de volgende verhuizing.
Want zodra de vorstgevaarlijke nachten voorbij zijn, begint het volgende hoofdstuk: de verhuizing naar buiten. En daar komt de ware krachtmeting. Want in de winter dacht je nog: Wat fijn, ik heb ze allemaal veilig binnen staan. Nu denk je: Waarom heb ik er in vredesnaam zóveel?
Pot voor pot gaan ze naar buiten. Eerst de kleintjes. Dan de middelmaatjes. En dan komen de exemplaren waarvan je je afvraagt of je misschien beter een heftruck had kunnen aanschaffen.
Je tilt, sjouwt, sleept en draait jezelf in allerlei bochten. Deze kan nog wel even. Die zet ik daar. Oei, toch zwaarder dan gedacht. En ergens halverwege de middag voel je spieren waarvan je niet eens wist dat je ze had. En eerlijk is eerlijk: als je dan uiteindelijk achterover op een tuinstoel ploft, met een zere rug, vieze handen en een kop thee binnen handbereik, kijk je naar al dat frisse groen en denk je: Wat is het toch heerlijk, tuinieren. Tot je beseft dat je over een paar maanden dezelfde hele handel weer naar binnen mag sjouwen.
Ach ja, het leven van een tuinliefhebber gaat niet altijd over rozen. Maar dan ineens staat daar die ene overwinteraar uitbundig te bloeien en ben je alles weer vergeten. Tot je rug zegt…. IK NIET!