Ah, de winter. Als de natuur in rust gaat, haal ik opgelucht adem.
Eindelijk even géén avonden met een emmertje in de hand, op jacht naar glibberige tuinterroristen die mijn zorgvuldig geplante groen als een Michelinsterren-menu beschouwen.
Want ja, daar stond ik dan vorige zomer: gewapend met zaklamp, knieën in het zand, als een soort amateur- bioloog tientallen slakken uit mijn tuin te vissen.
Laten wij eerlijk zijn: milieuvriendelijk tuinieren is prachtig hoor in theorie. Bijenhotel, regenton, bloemen voor vlinders en composthoop – ik omarm het allemaal van harte.
Maar bij de slakken ligt de grens. Je kunt toch niet toekijken hoe ze jouw pas geplante hosta’s veranderen in een all-you-can-eat buffet? En dus ging ik het hele groeiseizoen stug door.
Slak na slak verzameld en verplaatst naar een open grasveld, hopend dat ze niet stiekem terug kropen als ik even niet keek. En toch... ergens diep van binnen voel ik ook een zekere waardering voor die kleine slijmerige wezens. Ze maken mijn tuin levendig.
Ik kijk wel eens naar de tuin van de buren, keurig betegeld met donkergrijze keramiektegels afgewisseld met een stukje kunstgras. Geen leven te bekennen, behalve een eenzame hortensia in een plastic bloempot als decoratie bij de voordeur.
Brrrhh… ik moet er niet aan denken.
Geen gezoem van bijen en hommels, geen merels op zoek naar wormen, geen bloemen, geen slakken. Het is alsof je naar een showroom in een tuincentrum kijkt: perfect, maar doodstil. Nee, geef mij maar de chaos van de natuur. Zelfs al betekent dat dat ik elke zomer opnieuw de strijd aan moet gaan met de slakkenbrigade.
Want eerlijk is eerlijk, die strijd hoort erbij. Het is deel van het tuinieren, net als onkruid wieden en hopen dat je kruidenplanten niet door de kat van de buren wordt geplet.
Afgelopen zomer waren de slakken in grote getalen aanwezig en was het gedaan met de rust. Zodra de eerste zonnestralen in de lente doorbraken, is de invasie begonnen alsof mijn tuin een pop-up restaurant is. Ik mocht me weer druk maken over gaten in mijn koolplanten of aangevreten bladeren in de borders. En daar zit ik dan elke avond op het natte gras, opnieuw met mijn emmertje en zaklamp, mopperend en mompelend over ’die rot slakken’. Maar zonder hen zou het toch ook een beetje saai zijn. En stiekem – heel stiekem – zou ik ze niet willen missen.
De Slakkenfluisteraar